Stadse pretenties van een dijkdorp

Centrumplannen in Ridderkerk
Foto boven: gemeente Ridderkerk
De perifere ligging van Ridderkerk, ingeklemd tussen zware infrastructuren tussen Rotterdam en Dordrecht, leidt er toe dat deze uit de kluiten gegroeide nederzetting naarstig op zoek is naar een nieuw centrum met een nieuwe identiteit. Naast de oude dorpskerk zijn oversized shopping malls en dozen vol grootschalige detailhandel geland. Binnenkort zal ook de tram plus hier stoppen. Zij verlenen Ridderkerk de allure van een stad, maar tegen de plannen voor centrum en tram bestaat ook verzet. Of Ridderkerk een stad is of juist haar dorpse kwaliteiten moet profileren, is een terugkerende vraag in de zoektocht naar centraliteit en identiteit.
Om een deel van de bevolking vast te kunnen houden en een eigen identiteit te creëren wordt naast de herstructurering in de wijken het centrum stapsgewijs aangepakt. Het Koningsplein vormt sinds 2005 het nieuwe hart van Ridderkerk. Doordat het gemeentehuis moest uitbreiden en er grote behoefte bestond aan nieuwe winkelruimte en aan binnenstedelijk wonen kon een schaalsprong worden gemaakt. Door rigoureuze sloop van de bestaande bebouwing kon men met een schone lei opnieuw beginnen. De enige verwijzing naar het oude Ridderkerk is de kerktoren die via een zijstraatje nog zichtbaar is. Ridderkerk wilde een stedelijk plein. Het verdiept liggende, ovale plein verwijst niet alleen naar het klassieke voorbeeld in Lucca, maar ook naar de ellipsvormige kerksingel. In analogie met de kerk biedt het Koningsplein ruimte aan tal van activiteiten. Aan de rand van dit plein is het gemeentehuis tegenover het kantoor van de woningbouwvereniging geplaatst.
Doordat het gemeentehuis een essentieel onderdeel vormt binnen het ensemble rond het plein kon de opgave als totaalplan worden vormgegeven. Nadat de stedebouwkundige adviseur RBOI het stedebouwkundige plan met daarin de ellips had opgesteld, werd Charles Dunnett van het in Londen gevestigde DunnettCraven door de gemeente als supervisor aangesteld om de stedebouwkundige visie architectonisch te vertalen. Dunnett stuurde aan op een klassiek-modern plein. Geïnspireerd door de inrichting van de postmoderne buitenruimte bij De Resident in Den Haag nodigde de gemeente Ridderkerk CH&Partners uit om een buitenruimteplan te maken voor het Koningsplein en omgeving. De gemeente heeft vervolgens het bestek gemaakt en de pleinmaterialen ingekocht in plaats van dit af te schuiven op een aannemer die wellicht goedkopere kwalitatief minder goede stenen had gekozen.
Voor het nieuwe gemeentehuis is in een Europese selectie de keuze gevallen op Charles Vandenhove uit Luik. Vandenhove ontwierp niet alleen het gebouw maar ook de meubels in de raadzaal. Het gemeentehuis huisvest ook 'Het Plein', een theater en multifunctioneel ontmoetingscentrum voor de bevolking. De gemeente verwacht van ontwerpers grote betrokkenheid tot in het detail. De voorkeur gaat daarom naar kleine bureaus en ontwikkelaars die ook een bijdrage willen leveren aan het proces. De betrokkenheid van het bureau van Charles Vandenhove overtrof alle verwachtingen .
Ontwikkelaars aan zet
Bij de andere projecten aan het Koningsplein bleef de gemeentelijke invloed op de architectenkeuze beperkt. Terwijl de gemeente het raadhuis ontwikkelde met Volker Wessels, ontwikkelde aan de andere kant van het plein de Stichting Woonvisie een wooncomplex in combinatie met haar kantoor, dat is ontworpen door Buro van der Goes uit Hilversum. Twee andere segmenten aan het plein zijn ingevuld met wooncomplexen boven winkels, rondom een verhoogde binnentuin. Deze zijn ontwikkeld door Leyten en partners vastgoedontwikkeling, welke na een openbare aanbesteding door de gemeente was geselecteerd als meest geschikte partij op basis van gemaakt werk en vertrouwen. Leyten werkte naast eveneens Buro van der Goes uit Hilversum samen met RPHS uit Voorburg. Buro van der Goes was geselecteerd op basis van eerdere afspraken met tapijthandel Roobol die op deze locatie was gevestigd. RPHS werd gekozen vanwege haar ervaring met gecompliceerde opgaven, commerciële vastgoed en haar 'niet echt modernistische' bouwstijl.
Door de complexe footprint en de hiërarchische opbouw van de blokken is een veelvoud aan verschillende woningtypen tot stand gekomen. Deze varieert van kleine tweekamerappartementen (60m²) tot riante penthouses (250 m²), bedoeld voor een brede doelgroep van starters tot senioren. In beide complexen zijn voor de commerciële ruimten en de daar bovengelegen appartementen afzonderlijke verenigingen van eigenaren opgericht. Onder de twee door Leyten ontwikkelde bouwblokken bevinden zich twee afzonderlijke garages. Een openbare garage verbonden met de garage onder het gemeentehuis met 240 bezoekersplaatsen en een aparte parkeergarage met 115 bewonersplaatsen. De twee compartimenten zijn onder de winkelstraat door met elkaar verbonden.
Leyten blijft als belegger eigenaar van de commerciële ruimten. Met grote publiekstrekkers als de C&A en de Xenos is een tienjarig contract afgesloten op locaties zo dicht mogelijk bij het plein en het parkeren. Direct aan het plein zijn enkele horecazaken met terrassen gekomen, waaronder een ijssalon. Bij de verkoop van de woningen is door de ontwikkelaar een 'makelaar op maat' aangesteld, die alles regelt van verbouwingen tot inrichtingsadviezen en zich uitsluitend op dit project richt. In een volgende bouwfase worden 21 appartementen gebouwd ter plekke van het voormalige hotel dat als tijdelijke huisvesting voor een aantal kleine winkeliers dienst deed tijdens de bouw van de eerste fase.
Onder leiding van Dunnett is een negental workshops met de verschillende architecten georganiseerd waarin de ontwerpen werden getoetst aan het door Dunnett en Guus Franken opgestelde beeldkwaliteitplan voor de gevelopbouw rondom het plein. Alleen het ontwerp van Charles Vandenhove week af van dit beeldkwaliteitplan. De daklijst is niet zichtbaar, de gevel is gestaffeld en de vloer van het plein loopt hier niet door tot de gevel. Door de gemeente, de opdrachtgever, werd dit geaccepteerd met als argument dat een niet-commercieel overheidsgebouw best mag afwijken.
De contacten tussen gemeente en ontwikkelaars liepen via één persoon, Adrie Preesman, waardoor snelle besluiten genomen konden worden. De betrokken ontwikkelaars ervaren dit als een verademing. Er bleek weinig sturing nodig. Preesman treedt op als projectleider en opdrachtgever en is na de realisering betrokken bij de organisatie van allerlei activiteiten op het plein. Met behulp van evenementen wordt geprobeerd dit plein een plek te geven in het geheugen van de Ridderkerkers. Een ijsbaan, een kinderboerderij, een beachvolleybal toernooi, tal van concerten en een openluchtbioscoop vulden achtereenvolgens deze 'huiskamer'.
Bij de artikel 19 procedure die voor Koningsplein is gevoerd kwamen geen bezwaren binnen wat volgens betrokkenen aangeeft dat het plan draagvlak heeft onder de bevolking. Inspraak van alle betrokkenen in een zeer vroeg stadium is een belangrijke speerpunt van de gemeente. En dat heeft zich terugverdiend. De behoefte aan deze ingreep bleek ook uit het feit dat al gestart werd met de bouw toen slechts 20% verkocht was. Het hoge ambitieniveau is dankzij de daadkracht en de nuchterheid van deze gemeente gehaald binnen een beperkt budget. Door continuïteit van projectleiders en wethouders, een open politiek klimaat en een sterke aansturing werd het plan binnen viereneenhalf jaar gerealiseerd, wat in de Nederlandse verhoudingen kort is te noemen. De drie afzonderlijke complexen en het gemeentehuis zijn vrijwel tegelijkertijd opgeleverd in 2005. Het laatste segment aan de noordoostzijde van het plein is nog open. Soeters Van Eldonk architecten heeft hiervoor, in opdracht van Leyten, een plan getekend dat qua materialisatie en detaillering aansluiting zoekt bij het historische centrum rond de Kerksingel. De planvorming wordt daar geblokkeerd door het in de ogen van veel Ridderkerkers monumentwaardige dorpsschoolgebouw en de bijbehorende bovenmeesterwoning, waar nu nog enkele maatschappelijke organisaties in huisvesten. In dit gebied wil de gemeente een kleine bioscoop realiseren, als stimulans voor de horeca.
Het centrum is met ruim 150 winkels en 40.000 vierkante meter bedrijfsvloeroppervlak niet meer lokaal maar regionaal georiënteerd en biedt met grootschalige parkeervoorzieningen ruimte voor groei. Ondanks de stedelijke ambities wonen relatief veel authentieke Ridderkerkers in de nieuwbouw, waaronder veel jongeren. Ruimtelijk gezien is het dorpse karakter dan wel veranderd maar de dorpse manieren waarop men met elkaar omgaat zijn nog steeds gemeengoed.
Buurtcentrum op de schop
Ridderkerk kent naast het Koningsplein en omgeving nog drie kleinere wijkcentra, elk met een grote supermarkt of discounter en enkele kleine ondernemers. Voor het in de wijk Drievliet gelegen wijkcentrum is de planontwikkeling in volle gang. Hier is de parkeerdruk minder eenvoudig op te lossen, ook door de hoge dichtheid van tachtig woningen per hectare. Door het intensieve ruimtegebruik van het verouderde winkelcomplex is sloop geen optie. De gemeente, als eigenaar van de grond en de sporthal, en woningbouwcorporatie Woonvisie, als eigenaar van het vastgoed, kwamen zeven maanden geleden in een padstelling tegenover elkaar te staan door het grote verschil in inzicht over de te volgen ontwikkelingsstrategie. Om de impasse te doorbreken heeft de gemeente in juni 2006 de strategisch adviseurs van BVR gevraagd om de regie in handen te nemen.
Het door BVR in gang gezette proces bestond uit twee stappen. Allereerst zijn door middel van een programmatisch onderzoek de doelgroep, de positie en de tekortkomingen van het gebied verkend. Vervolgens zijn enkele ruimtelijke ingrepen voorgesteld die het gebied in zijn context moeten verankeren. BVR kwam met de vondst het plangebied te verruimen en het bestaande en het nieuwe programma te vervlechten langs een groene 'Vlietzone'. Door deze verruiming geeft de ontwikkeling van het Vlietplein een impuls aan de omgeving en worden de investeringen over een groter gebied verspreid. Beide partijen worden zo gedwongen gelijkwaardige investeringen te doen. Ook zijn ISV-fondsen voor stedelijke vernieuwing aangesproken. Door een aantal inspraaksessie is het nodige draagvlak gecreëerd onder de jeugd, de oudere bewoners, de kerk en de winkeliers. Er is veel enthousiasme ontstaan om iets van het plan te maken.
Door de gemeente is CH&Partners ingehuurd om een inrichtingsvoorstel voor het plein te maken. Woonvisie liet Droogh Trommelen en Partners, een adviesbureau voor ruimtelijke ontwikkeling van centrumgebieden, een ontwikkelingsvisie maken waarin een versterking van het voorzieningenniveau en een gezonde vastgoedexploitatie worden nagestreefd. Het eveneens door de corporatie ingeschakelde VRP architecten uit Haarlem maakt momenteel een plan voor de renovatie en de uitbreiding van de winkelruimten en voor aanvullende nieuwbouw met appartementen.
Grootschalige detailhandel
Door de aanleg van de Deltadijk, einde jaren zeventig, ontstond de unieke mogelijkheid om in de polder Donkersloot voorheen perifere detailhandel nabij het dorpscentrum te realiseren. Het initiatief van de marktpartijen speelt hierbij een grote rol, zoals blijkt uit de locatie Ridderpark. Na het faillissement van Bakker Staal, een aan de scheepsbouw gelieerde staalgieterij, heeft de in Ridderkerk gevestigde aannemer/ontwikkelaar, Roos Vastgoed, dit terrein aangekocht. Een bouwmarktconcern waartoe de Karwei Bouwmarkt behoort, was eigenaar van de aangrenzende kavel en benaderde Roos Vastgoed. Het stedebouwkundige bureau BRO is vervolgens door Roos gevraagd een stedebouwkundig plan op te stellen. Het resultaat was echter niet naar de tevredenheid van de opdrachtgever. Roos heeft vervolgens zelf een efficiënte terreinindeling geschetst. Dit voorstel is door de gemeente zonder veel omhaal goedgekeurd.
Momenteel bevindt zich hier de bij oplevering grootste Karwei Bouwmarkt van de Benelux met 6.500 vierkante meter vloeroppervlak. Volgens de mogelijkheden die het bestemmingsplan bood werd het terrein opgevuld met nog eens 12.000 vierkante meter bedrijven en kantoren. Door de gemeente werd slechts als randvoorwaarde gesteld om een deel van het terrein na ontwikkeling voor één gulden exclusief BTW volledig ingericht over te dragen als openbaar gebied, met een parkeerterrein voor centrumbezoekers en eveneens een deel van het terrein in te richten voor het stallen van vrachtwagens. Langs de representatieve straatzijde van dit 3,5 hectare grote binnenstedelijk bedrijvenpark ligt al acht jaar een perceel braak waar ruimte is gereserveerd voor 6.000 vierkante meter kantoorruimte. Maar ook in Ridderkerk is de markt voor kantoren weinig florissant. Om de bestemming te veranderen in woningbouw heeft Roos Vastgoed op eigen initiatief RIGO research ingeschakeld om middels een marktonderzoek aan te tonen dat kantoren op deze locatie ondenkbaar zijn. Samen met een door Rooden Architecten opgesteld schetsontwerp voor 114 starterswoningen en seniorenappartementen is de ontwikkelaar vervolgens naar burgemeester en wethouders gestapt om te onderhandelen over een artikel 19 procedure. De ontwikkelende partij speelt hiermee strategisch in op de vraag naar betaalbare centraal gelegen woningen in de Zuidvleugel.
De komst van tramplus
Een belangrijk bovenregionaal geïnitieerd sturend instrument bij de centrale stedelijke opgaven is de tram. Al sinds de jaren tachtig bezint de gemeenteraad zich op een goede openbaar vervoersverbinding met de landelijke vervoersnetwerken. Hiervoor zijn de nodige tracés gereserveerd. Doordat vanuit Ridderkerk er geen bussen meer rechtstreeks naar het Rotterdamse Centraal Station rijden, bevindt zich in het vervoersnetwerk een witte vlek. De Stadsregio Rotterdam heeft vervolgens onderzocht, hoe deze vlek kan worden ingevuld. De Stadsregio is verantwoordelijk voor een goed openbaar vervoernetwerk in de regio en verzorgt de aanleg en het beheer van tracés.
In 2003 heeft de Stadregio een vergelijkende studie uitgevoerd naar een metro, een tramplus (regionaal gericht) en een HOV bus (op aparte baan). Het doortrekken van de bestaande tramplus lijn vanaf Rotterdam-Zuid bleek veruit het meest voordelig en effectief. Omdat de gemeenteraad nog steeds haar bedenkingen had over de inpassingsmogelijkheden, is in 2005 door Goudappel Coffeng een second opinion uitgevoerd waarin eveneens de tram als beste uit de bus kwam. Tegelijkertijd liet de toenmalige minister weten geen geld beschikbaar te willen stellen voor een metro. Een projectgroep Ridderkerklijn (samengesteld uit deskundigen van de Stadsregio, de gemeente Ridderkerk, het Waterschap Hollandse Delta, de RET en deelgemeente IJsselmonde) heeft een vijftal te onderzoeken tracévarianten voorgesteld die in 2006 zijn gepresenteerd aan de burgers. Uit deze inspraakronde volgden nog eens vier bewonersvarianten.
Ondanks de kwaliteiten die een goed OV netwerk met zich meebrengt is onder een deel van de bevolking van Ridderkerk de weerstand tegen de tram groot. Veel van de dorpelingen zien de tram als een vorm van verstedelijking die een groot verlies aan identiteit met zich meebrengt. De projectgroep vergelijkt momenteel de negen varianten op basis van 34 criteria, onder te verdelen in vijf subgroepen: vervoerswaarde en reistijd, verkeerstechnische inpassing, stedebouwkundige inpassing, milieu technische inpassing en kosten. In dit onderzoek participeert stedebouwkundig bureau RBOI als ruimtelijk adviseur van de gemeente. Uit de totaal negen varianten zal mei dit jaar een voorkeursvariant worden gekozen die aan bewoners wordt voorgelegd.
Het welslagen van de herstructurering van Ridderkerk hangt voor een deel samen met de komst van de tram. Hoewel het nieuwe centrum is ingericht op het ontvangen van grote aantallen bezoekers per auto, zal de tram een wezenlijke bijdrage leveren aan de levendigheid en bereikbaarheid. Ook het welslagen van de herstructurering van het Vlietplein hangt deels af van de komst van de tram.
Ridderkerk staat echter voor het dilemma dat ze een keuze moet maken of het een stad wil zijn of een dorp. Fysiek heeft Ridderkerk alle kenmerken van een verstedelijkte buitenwijk. Veel inwoners van Ridderkerk spreken nog altijd liefkozend over hun dorp. Ook de mentaliteit van de mensen is eerder dorps dan suburbaan te noemen. Daar heeft de modernisering van het stadshart geen verandering in aangebracht. De komst van de tram hoeft deze identiteit niet aan te tasten als men dat wil. Ridderkerk zal zich een interessantere en sterkere positie in de Zuidvleugel kunnen verwerven door zich juist met haar dorpse kwaliteiten te profileren. Zo kan Ridderkerk een dorp in de stad blijven.
Harry den Hartog